No information is present at this moment.
On-label
Licensed use Licensed useCapsule (als hydrochloride) 0.25 mg; 0.5 mg
| Relapsing Remitting Multiple Sclerose (RRMS) |
|---|
|
No information available on dose adjustment in renal impairment.
The complete list of all undesirable drug reactions can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
The side effect profile in children is generally similar to that in adults. Neurological and psychiatric disorders are more common in children. Common: convulsions; reported: depression, anxiety, isolated mild bilirubin elevation.(SmPC)
The complete list of all undesirable drug reactions can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
Zeer vaak (> 10%): griep, sinusitis, hoofdpijn, hoesten, diarree, rugpijn, stijging van leverenzymwaarden (ALT-concentratie, γGT-concentratie, aspartaattransaminase).
Vaak (1-10%): herpesvirusinfectie (sommige fatale gevallen), dyspneu, bronchitis, tinea-infectie. Basaalcelcarcinoom. lymfopenie, leukopenie. Depressie. Duizeligheid, migraine. Wazig zien. Bradycardie, atrioventriculaire blok, hypertensie. Eczeem, alopecia, pruritus. Asthenie, verhoogde triglyceridenwaarden.
Soms (0,1-1%): pneumonie, maligne melanoom, trombocytopenie, depressieve stemming, macula-oedeem, misselijkheid, verminderd aantal neutrofielen.
Zelden (< 0,1%): lymfoom (B- en T-cel), waarvan 1 fataal geval van EBV (Epstein-Barrvirus) positieve B-cellymfoom. Plaveiselcelcarcinoom. Posterieur reversibel encefalopathie syndroom (PRES). Binnen 24 uur na inname van de eerste dosis is asystolie en plotselinge dood gemeld.
Zeer zelden: Kaposi-sarcoom, fataal hemofagocytair syndroom (HPS), T-golf inversie.
Bij hogere doses (1,25 of 5 mg) zijn gemeld: ischemische en hemorragische beroertes en atypische neurologische aandoeningen, zoals acute gedissemineerde encefalomyelitis (ADEM)-achtige verschijnselen.
Verder zijn gemeld: (Fatale) polymorfe ventriculaire aritmie (PVA). Cryptococcus-infecties (incl. Cryptococcus meningitis). Merkel-celcarcinoom. Virusinfecties als VZV, JCV (oorzaak van PML), HSV. Progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML), perifeer oedeem. Overgevoeligheidsreacties (incl. huiduitslag, urticaria en angio-oedeem bij start van de behandeling).
The complete list of all contra-indications can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
The complete list of all warnings and precautions can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
Cardiac monitoring: first-dose monitoring: due to serious cardiac problems (including sudden death) at the start of treatment, ECG observation and blood pressure measurement are recommended before the first dose and for a period of at least 6 hours afterwards, with hourly measurement of heart rate and blood pressure. If, after 6 hours, the heart rate is at its lowest since the first dose was administered (indicating that the maximum effect on the heart may not yet have been reached), extend monitoring by at least 2 hours and until the heart rate increases again. Regular blood pressure monitoring is recommended during treatment. If bradyarrhythmia-related symptoms develop, initiate appropriate treatment and extend monitoring until the symptoms have disappeared; if pharmacological intervention was necessary during first-dose monitoring, monitor the patient overnight in a hospital and repeat the first-dose monitoring after the second dose. In addition, if the heart rate is < 45 beats/min in adults, or < 55 beats/min in children ≥ 12 years of age, or < 60 beats/min in children aged 10–12 years, or if the ECG shows a new case of second-degree or higher AV block or a QTc interval ≥ 500 ms, prolonged monitoring is also indicated (at least during the night) until the findings have disappeared. Initial dose monitoring should be repeated when increasing the dose in children, and also after a temporary interruption of treatment, depending on the duration of the interruption and the duration of use prior to the interruption; see Dosage.
In case of T-wave inversion, rule out myocardial ischemia; if myocardial ischemia is suspected, consult a cardiologist. Due to the risk of serious arrhythmias, do not use fingolimod in cases of sinoatrial block, a history of symptomatic bradycardia or recurrent syncope or cardiac arrest, uncontrolled hypertension, severe sleep apnea, significant QT prolongation (QTc > 470 ms (adult women), QTc > 460 ms (girls), or QTc > 450 ms (men and boys)). If fingolimod is being considered for these patients, first consult a cardiologist for appropriate monitoring at the start of treatment and at least during the night. Due to possible prolongation of the QTc interval, avoid administration in patients with relevant risk factors, such as hypokalemia or congenital QT prolongation.
First complete vaccinations according to current vaccination guidelines before starting treatment. Exercise caution in children with convulsions, anxiety, and depression, and in children aged 10–12 years weighing < 40 kg or in Tanner stage < 2.
[SmPC}
The complete list of all warnings and precautions can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
Vóór de start van de behandeling moet een MRI (< 3 maanden) beschikbaar zijn als referentie.
Cardiale monitoring. Eerstedosismonitoring: vanwege ernstige cardiale problemen (o.a. plotseling overlijden) in het begin van de behandeling is vóór eerste inname en gedurende een periode van minimaal 6 uur erna ECG-observatie en bloeddrukmeting aangewezen met om het uur meting van hartslag en bloeddruk. Als de hartslag na 6 uur het laagste is sinds de eerste dosis is toegediend (wat er op wijst dat het max. effect op het hart mogelijk nog niet is bereikt), de monitoring verlengen met ten minste 2 uur en tot de hartslag weer toeneemt. Tijdens behandeling blijft regelmatige controle van de bloeddruk aangewezen. Als bradyartimie-gerelateerde symptomen zich ontwikkelen passende behandeling beginnen en de monitoring verlengen totdat de symptomen zijn verdwenen; als farmacologische interventie nodig was tijdens eerstedosismonitoring de patiënt tijdens de nacht monitoren in een ziekenhuis en na de 2e dosis de eerstedosismonitoring herhalen. Als bovendien de hartslag na 6 uur < 45 slagen/min is, of als het ECG een nieuw geval van tweedegraads of hogere AV-blok laat zien of een QTc-interval ≥ 500 ms, is ook verlengde monitoring aangewezen (ten minste gedurende de nacht) tot de bevindingen zijn verdwenen. De eerstedosismonitoring, dient bij een tijdelijke onderbreking van de behandeling te worden herhaald, afhankelijk van de duur van de onderbreking en de duur van het gebruik voor de onderbreking; zie onder Dosering.
In geval van T-golf inversie, myocard ischemie uitsluiten; bij vermoeden van myocard ischemie een cardioloog raadplegen. Vanwege de kans op ernstige ritmestoornissen fingolimod niet gebruiken bij sinoatriaal blok, een voorgeschiedenis van symptomatische bradycardie of terugkerende syncope, een significante QT-verlenging (QTc > 470 ms (vrouwen) of > 450 ms (mannen). Fingolimod ook niet gebruiken bij patiënten met voorgeschiedenis van myocardinfarct of hartstilstand, ongecontroleerde hypertensie of ernstige slaapapneu omdat deze patiënten bradycardie slecht verdragen. Als bij deze patiënten fingolimod wordt overwogen eerst een cardioloog consulteren voor een geschikte monitoring bij start van de behandeling en gedurende ten minste de nacht. Vanwege mogelijke verlenging van het QTc-interval toediening vermijden bij patiënten met relevante risicofactoren, bijvoorbeeld hypokaliëmie, aangeboren QT-verlenging.
Vanwege het immunosuppressieve effect is er bij behandeling meer kans op infecties, lymfomen en huidtumoren.
Vooraf aan de behandeling moet een recent (van de laatste 6 maanden) compleet bloedbeeld (CBC) beschikbaar zijn. Tijdens de behandeling periodiek het CBC bepalen, op maand 3 en minstens jaarlijks daarna en ook bij verschijnselen van infectie. Bij een absoluut lymfocytenaantal < 0,2 × 109/l de behandeling onderbreken totdat herstel is opgetreden. Voor de status van de lymfocyten-subsets is bepaling van de perifere bloedlymfocyten niet geschikt omdat door herdistributie in secundaire lymfoïde organen het aantal bloedlymfocyten is afgenomen.
Infecties. Behandeling uitstellen bij matig ernstige infectie. Patiënten zonder bevestigde voorgeschiedenis van waterpokken of zonder gedocumenteerde vaccinatie tegen het varicella-zostervirus (VZV) vóór de start van een behandeling testen op VZV-antilichamen. Antilichaamnegatieve patiënten vóór aanvang van de behandeling vaccineren tegen VZV, en vervolgens de start van de behandeling met 1 maand uitstellen voor een volledig effect van de vaccinatie. Patiënten voorlichten om symptomen van infectie tot 2 maanden na het staken van de behandeling te melden aan hun arts. Bij optreden van een ernstige infectie onderbreking van de behandeling overwegen. Cryptococcus-meningitis, soms fataal, is gemeld na ongeveer 2–3 jaar behandeling; een exact verband met de behandelduur is echter niet bekend. Stel bij symptomen van Cryptococcus-meningitis (hoofdpijn met mentale veranderingen zoals verwarring, hallucinaties en/of persoonlijkheidsveranderingen) direct diagnostisch onderzoek in. Als Cryptococcus-meningitis wordt vastgesteld, de behandeling staken.
Wees alert op symptomen van progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML); dit is niet altijd gemakkelijk, omdat de symptomen lijken op die van multipele sclerose (onbeholpenheid, progressieve zwakte, veranderingen in zicht en/of spraak, soms karakterveranderingen). PML is voorgekomen ongeveer 2–3 jaar na behandeling met fingolimod zonder voorgaande blootstelling aan natalizumab; een exact verband met de behandelduur is echter niet bekend. Daarnaast is PML voorgekomen bij patiënten die eerder behandeld werden met natalizumab, PML kan alleen voorkomen bij een JVC-infectie; een negatief JVC-antilichaamonderzoek sluit echter de mogelijkheid van een latere JCV-infectie niet uit. Let bij routine MRI's op PML-suggestieve laesies. Bij vermoeden van PML een MRI-scan van de hersenen laten maken en de behandeling onderbreken totdat PML is uitgesloten.
Bij vermoeden van posterieur reversibel encefalopathie-syndroom (PRES) de behandeling staken; de klachten (ernstige hoofdpijn, misselijkheid, braken visuele stoornissen en toevallen) zijn gewoonlijk reversibel maar kunnen zich ontwikkelen tot ischemische beroerte of hersenbloeding.
Huidtumoren. Vóór de start van en tijdens de behandeling om de 6-12 maanden een medische beoordeling van de huid uitvoeren in verband met de kans op basaalcelcarcinoom en andere huidtumoren als maligne melanoom, plaveiselcelcarcinoom, Kaposi-sarcoom, en Merkel-celcarcinoom. Bij ontdekking van verdachte laesies de patiënt doorverwijzen naar een dermatoloog. Tijdens behandeling dienen patiënten zich verder te beschermen tegen zonlicht en mogen ze geen fototherapie met UV-B straling of PUVA krijgen.
Vanwege de kans op macula-oedeem is 3–4 maanden na de start van de behandeling en bij optreden van visusstoornissen een oogheelkundig onderzoek (onderzoek van de oogfundus, inclusief macula) aangewezen. Bij patiënten met diabetes mellitus of met een voorgeschiedenis van uveïtis is er meer kans op macula-oedeem, en wordt oogheelkundig onderzoek vóór aanvang van de behandeling en daarna regelmatig tijdens de behandeling aanbevolen. Bij optreden van macula-oedeem de behandeling (tijdelijk) staken.
Leverfunctiestoornis. Wees voorzichtig bij lichte tot matige leverfunctiestoornis. Bij patiënten met actieve virale hepatitis start van de behandeling uitstellen totdat deze is verdwenen. Vooraf aan de behandeling moeten recente (van de laatste 6 maanden) transaminase- en bilirubinewaarden beschikbaar zijn. Tijdens behandeling levertransaminasen controleren in maand 1, 3, 6, 9 en 12 en daarna periodiek. Indien de concentraties van de levertransaminasen boven 5× ULN (upper limit of normal) uitkomen, frequenter controleren, inclusief serum bilirubine en alkalische fosfatase (AF) meting. Bij herhaalde bevestiging van levertransaminasewaarden boven 5× ULN, de behandeling onderbreken totdat de levertransaminasewaarden zijn genormaliseerd. Bij optreden van symptomen die duiden op een gestoorde leverfunctie (onverklaarbare misselijkheid, braken, buikpijn, vermoeidheid, anorexie of geelzucht en/of donkere urine), de leverenzymwaarden controleren en bij bevestiging van een aanzienlijke leverbeschadiging (bv. levertransaminasewaarden groter dan 5× ULN en/of serumbilirubineverhogingen) de behandeling staken.
Wees voorzichtig bij ernstige respiratoire aandoeningen, pulmonale fibrose en COPD.
Na staken van de behandeling blijft fingolimod nog ongeveer 6 weken in het bloed. Het lymfocytenaantal keert bij de meeste patiënten geleidelijk terug naar het normale bereik binnen 1–2 maanden na het staken van de behandeling; wees gedurende deze periode waakzaam op infecties. Bij sommige patiënten kan het volledig herstel van het lymfocytenaantal veel langer duren. Wees daarom voorzichtig met het gebruik van immunosuppressiva binnen korte tijd na het staken met fingolimod; zie verder de rubriek interacties.
Rebound. Bij sommige patiënten zijn na staken ernstige exacerbaties van MS opgetreden; na staken met fingolimod hierop controleren.
The complete list of all interactions can be found in the national Summary of Product Characteristics (SmPC) – click here
This pages provides a list of drugs from the same ATC class for comparison. This does not necessarily mean that these drugs are interchangeable.
| Selective immunosuppressants | ||
|---|---|---|
| L04AA24 | ||
| L04AA32 | ||
| L04AA13 | ||
| L04AA02 | ||
| L04AA06 | ||
| L04AA31 | ||
| L04AA04 | ||
| L04AA44 | ||
| Other immunosuppressants | ||
|---|---|---|
| L04AX01 | ||
| L04AX03 | ||
| Tumor necrosis factor alpha (TNF-alpha) inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AB04 | ||
| L04AB01 | ||
| L04AB06 | ||
| L04AB02 | ||
| Interleukin inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AC03 | ||
| L04AC02 | ||
| L04AC08 | ||
| L04AC13 | ||
| L04AC19 | ||
| L04AC10 | ||
| L04AC22 | ||
| L04AC07 | ||
| L04AC05 | ||
| Calcineurin inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AD01 | ||
| L04AD02 | ||
| Janus-associated kinase (JAK) inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AF02 | ||
| L04AF02 | ||
| L04AF08 | ||
| L04AF01 | ||
| Monoclonal antibodies | ||
|---|---|---|
| L04AG04 | ||
| Mammalian target of rapamycin (mTOR) kinase inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AH02 | ||
| L04AH01 | ||
| Complement inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AJ01 | ||
| L04AJ02 | ||
| Dihydroorotate dehydrogenase (DHODH) inhibitors | ||
|---|---|---|
| L04AK02 | ||